20 Eeuwen Wonen in Amsterdam

De meeste middeleeuwse woonhuizen in Amsterdam waren eenvoudig ingericht. Er was weinig meubilair en behalve krukjes werden er ook klapstoeltjes gebruikt die dan gelijk meegenomen konden worden naar de kerk. Buitenlanders die vandaag de dag Amsterdam bezoeken, blijven er zich over verbazen, die open gordijnen. In de ons omringende landen zit ‘s avonds alles potdicht, maar in Amsterdam en tevens de rst van Nederland, kun je als het donker is, ongegeneerd door het raam kijken om te zien hoe er gewoond wordt. Waarom de Amsterdammer zich zo open en bloot laten beloeren is moeilijk te zeggen. Het heeft in elk geval iets te maken met onze calvinistische inslag.

Eeuwenlang hebben de dominees ons voorgehouden dat we ons niet moeten laten verleiden door de ijdelheden des levens en ons niet moeten hechten aan aardse zaken. Want dan zouden we de reden van ons bestaan uit het oog verliezen: God eren en ons voorbereiden op het leven in het hiernamaals. Door de gordijnen open te laten, laten we zien dat we deze les begrepen hebben en geen al te gekke dingen doen met ons geld. Precies zoals Wim Sonneveld in de Groene Amsterdammer het onder woorden bracht:

En wonen in betonnen dozen
Met flink veel glas, dan kun je zien
Hoe of het bankstel staat bij Mien
En d’r dressoir met plastic rozen

Eind jaren vijftig zagen de huiskamers van een doorsnee gezin in Amsterdam er bijna allemaal hetzelfde uit: de tafel in het midden, een zithoek rond een salontafel met een perzisch tapijtje, een rond kanten kleedje en een thee- of koffieservies er op, langs de muur een imposant dressoir, een radio op een apart tafeltje en natuurlijk voor het raam wat sanseveria’s.

Tegenwoordig zouden we zo’n interieur kleinburgerlijk noemen, maar toentertijd was men er erg tevreden mee. Daar was alle reden toe. Nooit eerder had de gemiddelde Amsterdammer zo veel wooncomfort tot zijn beschikking gehad. Het wonen in een middeleeuwse stad zoals Amsterdam of Delft moet een hel zijn geweest. Dicht opeengepakt, in smalle, donkere, stinkende straten en steegjes, werd in krakkemikkige woningen met weinig zonlicht en een gebrek aan frisse lucht, vaak in één en dezelfde ruimte gewoond, gewerkt en geslapen. De Goudne Eeuw heeft daar weinig aan veranderd. Alleen een kleine elite kon het zich permiteren een deftig huis aan de Amsterdamse grachten te bewonen, dat groot genoeg was om gescheiden te kunnen wonen en te slapen.

“In de 19de eeuw werd de toestand nog slechter in Amsterdam”, meld Bart van Loodgieter Amsterdam in het Parool. “Duizenden arbeidersgezinnen hokten samen in eenkamerwoningen of kleine etagewoningen, in volkomen uit hun voegen gebarsten buurten zoals de Jordaan. De woon condities waren toen in Amsterdam niet best en men kan spreken van een opeenhoping van vuiligheid en armoede”. De daarmee gepaard gaande dronkenschap, ruzies en zedeloosheid baarden de gegoede burgerij grote zorgen. Want stel je voor dat deze grauwe massa in verzet zou komen.

Er was maar één oplossing. Het volk moest worden opgevoed en vertrouwd gemaakt worden met de deugden die de burgerij zelf hoog in het vaandel droeg: huiselijkheid, netheid, zedelijkheid en verantwoordelijkheidsbesef. Want daar waren de meeste burgers het met elkaar over eens: de ellendige omstandigheden waaronder de meeste van hun stadsgenoten woonden, was niet hun schuld. De arbeiders hadden het aan zich zelf te wijten. Ze zijn slordig en vuil, in de hoogste mate zorgeloos, dom en vol vooroordelen, van opvoedkunde en hygiëne hebben ze niet het flauwste begrip, en wat nog hun grootste fout is: ze trouwen te vroeg, zo werd over de arbeider gedacht.

Vandaar dat eind vorige eeuw de burgerij, in nauwe samenwerking met de overheid, een groot beschavingsoffensief begon. De arbeider moest leren thuis te zitten in plaats van in het café zijn karig loon te verbrassen, de arbeidersvrouw moest leren goed en voedzaam te koken en haar woning huiselijk, gezellig en knus in te richten, zodat haar man en kinderen geen reden meer hadden op straat rond te hangen.

Wonen en werken

Sinds de eerste dagen van Amsterdam, werd er gewoond en gewerkt in de stad. Vak zien we deze woon – werk combinatie terug in de huidige grachten gordel, waarbij er gewoond werd in het onderhuis en het bovenhuis diende als opslag. Of woonde men in het bovenpand en had men op de begane grond een kantoor of atelier. Veel van de ateliers en opslag ruimten moesten plaatst maken voor extra woonruimte, maar toch zien we sinds de laatste 5 jaren een ommekeer, waarbij notarissen, tandartsen, artsen, juristen weer een pand betrekken om zowel in te wonen als in te werken. Een goed voorbeeld van zo’n woon-werk situatie is de tandarts  praktijk van T. Rietrae op de Keizersgracht 132. De cosmetische tandheelkunde en de Amsterdamse kindertandarts bevinden zich op de begane grond en de tandarts zelf woont op de verdieping er boven.

Tegenwoordig is er een enorme opmars in reparatiewinkels voor elektronische producten, zo heb je in één straat in het centrum van amsterdam er wel drie! Iphone Reparatie Amsterdam was de eerste die er begon, die al snel veel klanten begon te trekken. Al gauw kwam de tweede, Computer Reparatie Amsterdam tezamen met Laptop Reparatie Amsterdam.

Wonen op maat

Overheid en burgerij konden tevreden zijn. In een halve eeuw tijd heeft de Amsterdammer geleerd netjes, schoon en fris te wonen. Warmte, gezelligheid en huiselijkheid waren gemeengoed geworden. Maar toen kwamen de jaren zestig. Burgerlijkheid werd een vies woord. Feministen in Amsterdam en door het hele land, begonnen bezwaar te maken tegen de vanzelfsprekendheid waarmee de vrouw tot een huisvrouwenbestaan werd veroordeeld. Iedereen moest zich individueel kunnen ontplooien. Het ideaal werd ieder een eigen kamer, een eigen televisie en een eigen telefoon en natuurlijk een op maat ingericht en als het enigszins kon een eigen huis.

Wonen is iets emotioneels geworden. Wonen is leven en genieten. De huiselijkheid is gebleven, maar tegenwoordig vullen we die zelf in. Daar doen we niet geheimzinnig over. Anderen mogen best zien hoe gezellig het bij ons thuis is.

Scholen en onderwijs

De rooms-katholieke Sint-Barbaraschool voor meisjes in Amsterdam werd omstreeks 1930 gebouwd. Zoals op vrijwel elke lagere school werd ook hier gebruik gemaakt van de leesmethode van M. Hoogeveen uit 1905. Op het leesbord achter de kinderen de grote vertelselplaat, de kleine platen met het bekende aapnoot-mies en de losse letters waarmee de woorden konden worden samengesteld. (GA Amsterdam)De meeste kinderen gaan tegenwoordig op hun vierde of vijfde naar de basisschool. Daar blijven ze tot ze groep acht hebben doorlopen. Hun schooltijd zit er dan nog niet op; de wet verplicht hen nog enkele jaren voortgezet onderwijs te volgen op LBO, MAVO, HAVO of VWO.

Sommigen, al dan niet met de nodige huiswerkbegeleiding, zoeken daarna een baan, maar een groot deel zet zijn schoolcarrière voort op MBO, HBO of aan de universiteit. Pas als ze de twintig zijn gepasseerd, en een kwart van hun leven erop zit, betreden ze de arbeidsmarkt.

Meetkundeles op de meisjes-HBS in Amsterdam omstreeks 1925.
We vinden zo’n schoolloopbaan van bijna twintig jaar inmiddels zo vanzelfsprekend, dat we ons zorgen maken over de groep die voortijdig afhaakt en als ongeschoold de toekomst tegemoet gaat. Zulke jongeren lijken veroordeeld tot laagbetaalde banen of langdurige werkloosheid.

Het is daarom moeilijk voorstelbaar dat nog niet zo lang geleden de meeste Amsterdamse kinderen weinig of geen onderwijs genoten. Wat ze nodig hadden, keken ze af van hun ouders, pikten ze op in het dagelijkse leven of kregen ze onder de knie bij een baas bij wie ze in de leer waren. Moeilijk te begrijpen is ook dat samenleving en overheid zich over dit gebrek aan onderwijs weinig zorgen maakten. Sommigen waren zelfs van mening dat te veel onderwijs schadelijk was.
Volgens de heersende opvattingen was de samenleving immers verdeeld in drie standen: de rijken of aanzienlijken, de burgers of gegoeden en de armen of geringen . Het onderwijs diende de jeugd de onaantastbaarheid van deze goddelijke ordening in te prenten en elk kind de kennis en vaardigheden bij te brengen die het nodig had opdat een ieder volgens zijn stand in de gelegenheid gesteld zoude worden om op eene fatsoenlijke wijze in de maatschappij zijn bestaan te vinden . Voor de kinderen van de geringe stand, machtig in getal, doch gering in betekenis, hield dit in dat zij niet in de verleiding mochten komen te proeven van de boom der kennis.

Een kijkje in het lokaal van de Leerschool van de Kweekschool voor Onderwijzeressen in Amsterdam. (GA Amsterdam) Zo’n kind zou dan immers dorsten naar meer, waardoor het gevaar liep ontevreden te worden en te streven naar een plaats op de maatschappelijke ladder waarop het krachtens de door God gestelde orde geen recht had. De samenleving zou daardoor binnen de kortste keren in een chaos veranderen.

Onderwijs als wapen

In de tweede helft van de 19de eeuw kwam in deze wijze van denken geleidelijk verandering. Als gevolg van de industriële revolutie en de sterke groei van administratieve en dienstverlenende functies die daarmee gepaard ging, steeg de vraag naar geschoolde en gekwalificeerde arbeidskrachten in Amsterdam. Ook bij het al talloze jaren oude Verhuislift Amsterdam begon dat toen al, die overigens nu nog steeds actief zijn! Bovendien werd al snel duidelijk dat het Amsterdamse onderwijs moest worden verbeterd en uitgebreid als de stad en de rest van het land als geïndustrialiseerde natie wilde meetellen.

Tegelijkertijd groeide bij de Amsterdamse burgerij het besef dat goed onderwijs een machtig wapen was in het streven de grote massa der armen te beschaven – en te verhinderen dat zij ten prooi zou vallen aan armoede en aan crimineel, onzedelijk en onmaatschappelijk gedrag. Gevolg was dat de overheid zich actief ging inzetten om door middel van wetgeving en subsidiëring het onderwijs toegankelijk te maken voor bredere lagen van de bevolking.

Voor de massa, voor wie onderwijs eeuwenlang nauwelijks zin had gehad omdat ze toch geen toekomstperspectief had, werd onderwijs plotseling interessant. Naast afkomst en stand immers bepaalden voortaan ook beroep en inkomen iemands maatschappelijke positie. Voor het eerst werd onderwijs een middel om hogerop te komen. Veel arbeiders hadden daarom steeds meer geld over voor onderwijs, om hun kinderen de kansen te geven die zij zelf nooit hadden gekregen.

Dat kon ook wat gemakkelijker dan vroeger, omdat door de verbeterde economische omstandigheden niet langer alle gezinsleden moesten bijdragen aan het familie-inkomen. Begin 20ste eeuw, kortom, werd onderwijs meer en meer gezien als een investering in de toekomst.

Begin 20ste eeuw gingen  de kinderen van de rijke kooplieden uit Nederland vanaf de vecht met de boot naar Nijerode toe.  Om voor een schoolreisje een goede impressie te geven hebben wij samen Met Sloep Huren Vecht en het partner bedrijf die ook salonboten verhuurd genaamd Boot huren Vecht een arrangementen uitgeschreven voor schoolreisjes.

Strijd om de methode

Deze groeiende aandacht voor het onderwijs ging gepaard met de opkomst van pedagogiek en onderwijskunde. Het land werd overspoeld met een lawine van tijdschriften, pamfletten, artikelen en boeken waarin de noodzaak van beter onderwijs onder de aandacht werd gebracht. Van eensgezindheid onder de auteurs was echter geen sprake. Volgens sommige pedagogen moesten onderwijzers hun leerlingen behandelen als lege vaten die moesten worden gevuld met kennis.

Anderen zagen de onderwijzer eerder als een tuinman die zijn plantjes – de leerlingen – alle ruimte moest geven om zelf te groeien, terwijl een andere groep vond dat de onderwijzer een vuur in zijn leerlingen moest ontsteken. Kunst was om te ontdekken welke brandstof in elke leerling lag opgeslagen en hoe deze tot ontbranding te brengen. Voornaamste taak van de onderwijzer was ervoor te zorgen dat elk kind zijn eigen, individuele talenten ontdekte en tot ontwikkeling bracht.

World Heritage Unesco

De grachtengordel van Amsterdam heeft eindelijk de status gekregen die het verdient en is sinds een paar jaar opgenomen als World Heritage op de World Heritage lijst van Unesco. ter bekendmaking van de opname, ontving de burgemeester van Amsterdam uit handen van de heer Sblinko van Unesco een symbolische sleutel, gegraveerd door de Amsterdam slotenmaker met het wapen van Amsterdam. Deze sleutel ligt nu in het Rijksmuseum ter bezichtiging.