Barre tijden


Dit even terzijde, maar toch wel leuk en interessant om te weten, is het jaar 1582 Dit is het jaar, waarin door paus Gregorius XIII een nieuwe tijdrekening werd ingevoerd. De Juliaanse tijdrekening van Julius Caesar, ingevoerd 46 jaar v.C. en in de 6de eeuw na Christus bijgesteld door de monnik Dionysius, werd vervangen door de Gregoriaanse tijdrekening, die nu nog gebruikt wordt. Het kwam er op neer, dat er 11 dagen "ingehaald" moesten worden en op die manier werd donderdag 4 oktober 1582 gevolgd door vrijdag 15 oktober. In Holland en Zeeland echter werd deze inhaalslag pas op 1 januari 1583 uitgevoerd.

Toen ik voor de eerste keer de namen van Cornelis (1530) en Wouter (1558) tegenkwam, zei het me niet veel meer dan dat het twee namen met twee jaartallen waren. Het beeld verandert echter, wanneer je je er bij voorstelt hoe ze bijvoorbeeld woonden. Al was het een boerderij of stee, vergeleken met zoiets van tegenwoordig, moet het toch erg primitief zijn geweest. Gedeeltelijk hout en steen en niet geisoleerd. De dieren leefden waarschijnlijk in dezelfde ruimte als waar de bewoners. In een hoek een plek waar men hout kon stoken om de boel enigszins te verwarmen en om te koken. Het sanitair zal een waskom of emmer zijn geweest en het water kwam uit de sloot of regenton.

Moest er iets vervoerd worden, dan zat er niets anders op dan de handel op de rug te nemen en uren te lopen. Was men welgestelder, dan hadden zij misschien een paard en wagen, die over onverharde wegen moesten gaan, die 's winters door regen en sneeuw meestal onbegaanbaar waren. Elk opkomend kuchje was waarschijnlijk een reden voor paniek en zorg, want dat kon misschien de voorbode zijn van een ziekte en een aanslag op het leven. Een dokter, wanneer men die kon betalen, wist en kon ook niet meer dan aderlaten en wat geweekte kruiden toedienen. Genezen was een zaak van hopen en bidden. Deze omstandigheden, in de context van het volgende, geven toch stof tot overdenken…..

Ik noemde al een keer, in verband met de Krimpenerwaard, de hongersnood in 1564, belegeringen van de Spanjaarden en overstromingen in de eerste jaren van de 80-jarige oorlog. Wat men zich hierbij moet realiseren is, dat het voor onze begrippen toen ook nog uitzonderlijk koud en nat was. In de volgende alinea's, wat hierover onder andere op het internet, via wikipedia, terug te vinden is.

Weerkundigen noemen de periode van ongeveer 1530 tot 1625 de Kleine IJstijd. Helemaal erg was het in de jaren 1563 tot 1575: de winters waren toen vreselijk koud, er viel veel sneeuw en de zomers leken op de herfst, compleet met superstormen, langdurige regens en overstromingen. Overal vroren rivieren en plassen dicht. Een Siberische koudegolf overrompelde West-Europa in de winter van 1564/1565. Rivieren als de Rijn, de Maas, de Schelde en de Theems vroren al in december dicht en de paarden gingen tot hun buik door de sneeuw. Iets hiervan kun je je misschien een heel klein beetje voorstellen, door de schilderijen van Pieter Brueghel en andere schilders uit die tijd te bekijken.

De Allerheiligenvloed van 1 november 1570 was de ergste overstroming in duizend jaar. Overal braken de dijken en deskundigen durven zelfs te beweren, dat toen het water hoger kwam dan bij de ramp 1953. Grote delen van het land van Vlaanderen tot aan Duitsland liepen onder. Dorpen verdwenen voor altijd onder het water en de modder. Er waren meer dan 20.000 doden en alle wintervoorraden werden vernietigd. Alva rapporteerde aan Philips II, dat vijfzesde van Holland en Zeeland onder water stond. Dit had natuurlijk grote gevolgen voor de landbouw en het leven van de mensen. Een slechte zomer betekende gegarandeerd hongersnood in de winter.

Een ander gegeven, wat het leven in de streek enorm beïnvloed moet hebben is, dat voor Alva het gebied tussen de Zuiderzee en de Biesbosch van strategisch belang was. Om de opstandige steden in Holland te kunnen aanvallen was deze "corridor" voor hem de enige weg, al moest hij met zijn leger nog steeds langs, door en over heel veel water en op dát water waren de Geuzen aan de kant van Willem van Oranje, heer en meester. Alva liet daarom door de bevolking en meestal onder dwang, onder andere bij Hardinxveld, Elshout (bij Kinderdijk), Schoonhoven en Krimpen zogenaamde schansen aanleggen. Bij deze manier kon hij min of meer de aanvoerroutes beveiligen, wanneer zijn troepen verder Holland in trokken. Voor Willem van Oranje op zijn beurt was het natuurlijk zaak om in de allereerste plaats deze schansen te veroveren en onder zijn controle te krijgen. De gevolgen laten zich raden; de ene tijd was Alva de baas en een jaar later Willem van Oranje of omgekeerd. Het veroveren en heroveren ging vanzelfsprekend gepaard met moorden, verwoesten en plunderen, waarbij de bevolking, zoals wat dat tegenwoordig noemen, met heel wat "collateral damage" te maken had.

Plaats een reactie Stuur door

Histolog login

Gebruikersnaam
Wachtwoord
 

Login vergeten? Geef hier je emailadres in.
 

Heb je nog geen Histolog? Klik op de knop om er een te openen.

Onderwerpen

  • Van Geertruida (1895) terug naar Wouter (1510).
  • De familie in de loop der tijd.
  • Pieter Cornelisz Neeleman (1750).
  • Verwarring.
  • Mysterie.
  • Voorvaders in de zestiende eeuw.
  • Losse eindjes hier en daar.